Close

Maria Kraaijkamp (1983) is cabaretier, maar de coronacrisis heeft haar carrière tijdelijk op een laag pitje gezet. Ze heeft structopathisch-minimalistische neigingen en had haar sokken al gealfabetiseerd toen Marie Kondo nog geboren moest worden. Maria worstelt soms met het leven, maar zingt zich altijd weer een weg naar boven.

Anna Krijger (1984) is journalist en recensent in een chaotisch huishouden. Ze heeft een pleegzoon, een stuk of tien huisdieren en laat een pan water nog aanbranden. Anna worstelt soms met het leven, maar aan het eind van de tunnel staat er altijd wel een bak chocolade-ijs op haar te wachten.


Nu Anna en Maria elkaar door de coronacrisis even niet ‘live’ kunnen zien, schrijven ze elkaar brieven – net als achttien jaar geleden, aan het begin van hun vriendschap.

Aflevering 4: We mogen weer

Lieve Maria,

Weet jij het nog, de dreiging van het aanstormende armageddon? Het gevoel van paniek dat langs je ruggengraat omhoog kroop bij de gedachte dat niets meer hetzelfde zou zijn? Afscheid van het leven vóór het virus (ik chargeer even: feesten, vliegen, festivals) en de confrontatie met het leven tijdens het virus: binnenshuis, huilend op de bank bastognekoeken wegwerken, zonder perspectief op een betere toekomst?

 Het is niet mijn bedoeling om je te laten schrikken Maria, maar, hou je vast: dit was nog geen twee maanden geleden. Nog geen twee maanden geleden moesten oude mensen in eenzaamheid hun laatste adem uitblazen, zonder de aanwezigheid van hun dierbaren, en nee, die konden ook niet achter een plexiglas scherm of in de buitenlucht afscheid nemen van moeder of opa, want: extreem besmettingsgevaar.

Maar als ik nu de foto’s van een overvol Schiphol zie, waar volgens de verantwoordelijken met geen mogelijkheid anderhalve meter afstand kan worden gehouden, en waar de reizigers ouderwets als kleffe rozijntjes boven op elkaar in een doosje geperst zitten, begin ik bijna te twijfelen. Was dit niet eigenlijk twee jáár geleden, en ben ik net ontwaakt uit een uit de hand gelopen dutje? Ik heb weleens door een volledig winterseizoen geslapen, dus misschien heb ik nu door de ontwikkeling van een vaccin liggen maffen?

Hoe dan ook, ik moet de laatste dagen weer regelmatig aan Ab Normaal denken. Je weet wel, dat roze konijn dat ergens op RTL5 of Veronica achter de bar stond. Ik wilde eerst schrijven dat ik ook niet wist waarom de herinnering aan dat programma zich nu opdrong, maar eigenlijk weet ik het wel. Ergens in die twee jaar durende coma van me ben ik de figuur viroloog Ab Osterhaus gaan associëren met het concept van ‘het nieuwe normaal’ en die twee zijn een beetje door elkaar heen gaan lopen. Ab Normaal sliste een beetje en begon ieder tweede zin met: “Ik ken een hele vieze, ranzige mop.” Die werd meestal gevolgd door de situering van een vrouw (“zúlke meloenen”) op een doktersconsult, maar in mijn fantasie is het decor van zijn grappen nu een overvol vliegtuig. Dat “vieze” en “ranzige” slaat dan op een cabine vol met virusdeeltjes dat urenlang gerecycled van het ene neusgat naar het andere stroomt, en op plaats bestemming 250 vers geïnfecteerde covidders aflevert. Ik moet nu al lachen.

En dan denk ik natuurlijk ook aan jou, en aan al die theaters die smachtend uitkijken naar de dag waarop jij weer mag komen optreden. Hoe staat het er nu voor, trouwens? Ik hoop zo dat je snel weer mag spelen! En tot die tijd draai ik me nog eens om. M’n pyjama had ik toch nog aan. Maak me maar wakker als het nieuwe normaal weer hopeloos ouderwets is.

Liefs, Anna

Lieve Anna,

Het lijkt inderdaad al lang geleden, de tijd zonder perspectief. Ik ben dolblij te kunnen vertellen dat ik zeer binnenkort weer in een echt theater mag spelen! Met echte mensen, die niet via een schermpje naar me kijken, maar gewoon echt in de allerhoogste full HD resolutie: real life!

Toch lijkt het universum me allerlei tekenen te geven om het vooral niet te doen. Het begon ermee dat mijn gitaar me heeft laten barsten. Letterlijk. Er is een barst in mijn gitaar gekomen, opeens, uit het niets. Daar kan ik niet meer op spelen en ik heb een gitaar moeten lenen van mijn gitaarleraar.

Helaas bleef het niet bij dit defect. Ik had ook een lekke band – kan gebeuren. Ik heb hem zelf geplakt, speciaal vóór ons huis, om demonstratief aan boomers te kunnen laten zien dat millennials dat soort dingen heus wel zelf kunnen (het is een van de vele handige skills die ik aan mijn scoutingtijd heb overgehouden, maar uiteraard is er op zo’n moment in geen velden of wegen een boomer te bekennen).

Alles leek in orde en na een eerste fietstocht ’s ochtends succesvol te hebben afgerond, bleek een werkdag later bij start van de terugweg dat de band weer lek was. En eerlijk Anna, wat ik die avond heb moeten doorstaan, het heeft me bijna over het randje geduwd. Ik wilde met de tram naar huis gaan. Bleek ik ook mijn portemonnee vergeten. Ik had wel contant geld, maar daar heb je dus helemaal niets meer aan tegenwoordig. Gelukkig kon ik Y. overhalen om met de auto naar me toe te komen. Hij zou de bandenplakspullen meenemen. Maar door alle consternatie was hij de fietspomp vergeten.

We gingen over op plan B: de fiets achter in onze auto mee naar huis nemen. We hebben alles geprobeerd. En daarmee bedoel ik Echt Alles: we hebben de fiets in alle mogelijke richtingen en hoeken in de auto proberen te krijgen, eerst met beleid en later ook met grof geweld, maar een damesfiets past niet in een Renault Clio. Dat leren ze je dan weer niet bij scouting, maar ik vergeet het nooit meer.

Er zat niets anders op dan onverrichter zake huiswaarts te keren en de fiets achter te laten. Wat ook verstandig was, aangezien ik nog niet gegeten had. Het is niet zo dat Y. me nog nooit hangry had meegemaakt, maar ik was inmiddels wel op een niveau aanbeland dat mijn humeur scheuren in ons huwelijk begon te veroorzaken waar de barst in mijn gitaar bij verbleekte. Na het eten zijn we weer naar de fiets toe gereden, hebben we de band geplakt en is Y. erop naar huis gereden. De volgende ochtend was de band weer lek.

Ik ga dus niet op de fiets naar het theater. Maar ik ga wel. Ik laat me niet tegenhouden. Niet door een pandemie, niet door een kapotte gitaar en niet door een lekke band. Ik ga wel lopen, ik zing desnoods a capella en al zitten er maar twee mensen in die zaal: ik ben er helemaal klaar voor! Komende zaterdag mag ik weer: in een uitverkocht theater de Mess in Naarden.

Liefs, Maria

Aflevering 3: Naar buiten

Lieve Maria,

De structuur van het viermaal daags lopen met de honden, het geknuffel met de katten, het ritmisch snijden van de kilo’s gemengde-groentesalade voor de konijnen en de ratjes (die me bij wijze van dank in m’n vinger bijten): het heeft me uit het drijfzand van het quarantainemoeras weten te houden. En nog steeds. Zodra de sleur, persconferenties of de continue aanwezigheid van D. of het kind me even te veel worden, begraaf ik mijn gezicht in een willekeurig vachtje (met tien huisdieren is er altijd wel eentje die net langsloopt) en wacht ik rustig tot de paniek weer wegebt. Voor m’n huwelijk durf ik m’n hand nog niet in het vuur te steken, maar m’n band met de dieren is de afgelopen tijd alleen maar sterker geworden.

Of zij het zelf ook zo hebben ervaren, weet ik eerlijk gezegd niet. Honden zijn nou eenmaal altijd hysterisch blij om je te zien. Of je nou terugkomt van een jarenlange wereldreis of alleen de brievenbus hebt geleegd: zij zullen hysterisch kwispelend tegen het raam op staat springen. Ook de katten doen niet anders dan anders. Ze kijken me slechts met de gebruikelijke minachting aan en rollen ook nog steeds met hun ogen als ik even naast ze op de bank wil komen zitten. Verder liggen ze ook gewoon de hele dag te maffen, behalve wanneer ze naar hun voerbakjes strompelen. (Laten we eerlijk zijn, ik doe zelf ook niet veel anders.) Zelfs in de knaagdiersectie bleef het relatief rustig, op het bingen van een bosje wortelen na. Ik denk dat de dieren me gedogen, en misschien moet ik daar maar tevreden mee zijn.

Heuglijk nieuwtje: vanavond ga ik voor het eerst in maanden weer naar een café! Ik ben al de hele dag druk met de voorbereidingen, niet in de laatste plaats omdat ik zo lang dezelfde pyjamabroek aan heb gehad dat ik drie uur in een bad met soda heb liggen weken om hem van m’n huid af te pellen. Maar goed, ik heb de blaren verbonden, er een panty overheen gehesen en dat rokje aangetrokken dat altijd nét iets te wijd was in de taille (well, not anymore!) en nu ben ik er helemaal klaar voor. Waar ik stiekem nu al weer vanaf wil, is dat nieuwe begroeten. Toegegeven, de verplichte drie zoenen waren ook geen pretje, maar die ongemakkelijke macarena meets zonnegroet op anderhalve meter afstand (“Zó leuk om je weer te zien! Handkus! Elleboogje! Oh niet te dichtbij hè, hihi!) is ook niet alles.

Trouwens, als de horecamaatregelen me bevallen, ga ik ze thuis ook invoeren. Werken met een tijdslot lijkt me zó overzichtelijk. Tussen 18:00 uur en 20:00 uur kun je wat te eten krijgen – voor of na die tijd regel je zelf maar wat. En gelieve van tevoren te reserveren.

Ben jij eigenlijk alweer naar buiten geweest?

Liefs, Anna

Lieve Anna,

Hoe is het nu? Na je eerste cafébezoek? Je zal wel moe zijn. Als ik iets heb geleerd de laatste tijd is dat er zoiets bestaat als ‘sociale conditie’ en dat het afbrokkelt als je te lang niet onder de mensen bent. De eerste paar keren dat ik weer in gezelschap van anderen dan Y. en onze poes was geweest, moest ik uren bijkomen. Met de gordijnen dicht en de dekens over mijn hoofd.

Ook wij zijn eindelijk weer eens naar buiten gegaan. We hebben in deze toeristenluwe tijd, met museumbezoek binnen tijdslots (inderdaad een perfect systeem dat wat mij betreft mag blijven) onze kans gegrepen om naar een museum te gaan waar ik normaal gesproken nooit naartoe zou gaan vanwege de angstaanjagend lange rijen: het Anne Frankhuis. Ik was er sinds 1992 niet meer geweest. Het bezoek toen maakte grote indruk, ik weet nog hoe hard de verschrikkingen van de Holocaust binnen kwamen. Deze keer ook. Maar door als volwassene terug te keren, was ik veel meer onder de indruk van wat een buitengewoon bijzonder meisje Anne Frank was. Hoe goed ze schreef, hoe toegewijd ook.

Uiteraard is onze lockdown in de verste verte niet te vergelijken met de verschrikkingen van toen. Maar je ontkomt er bijna niet aan om na te gaan denken over hoe je je eigen tijd hebt besteed in de afgelopen maanden. Daar trek ik geen leuke conclusies uit. Al die tijd die ik nuttig had kunnen invullen heb ik voornamelijk verspild aan wanhopen, het eten van grote hoeveelheden mergpijpjes, kokosmakronen en rollen pepermunt en alle ideeën die ik had om dingen te doen voor me uit te schuiven. Zo heb ik nog steeds niet alle aantekeningen uit mijn studieboeken gegumd, die ik speciaal alleen met potlood gemaakt had zodat ik ze nog eens kan gaan verkopen, ben ik na een uur gestrand in een poging al onze nonfictie boeken soort bij soort te zetten en heb ik nog steeds de kluwen kabels onder mijn bureau niet uit elkaar gekregen. Vooruit, ik heb nog wel wat boeken gelezen. Maar dat is echt het enige. Dat heeft er waarschijnlijk ook mee te maken dat je dat al etend in bed kan doen.

Dat er van veel van mijn plannen niets terechtkomt, ligt dus niet aan gebrek aan tijd. Ik had nu de tijd, maar ik heb er niets mee gedaan.

Blijkbaar heb ik een deadline nodig. Zoals ook deze week weer bleek. Voor donderdag zou ik drie teksten op muziek zetten. Dat verliep weer als vanouds volgens de zeven stadia van mijn creatieproces: in eerste instantie ben ik helemaal enthousiast over het idee om iets te gaan maken, tot ik daadwerkelijk van start moet: dan komt de twijfel, de spijt, het uitstellen, het piekeren, en pas als de deadline echt dichtbij komt begin ik eraan, met de moed der wanhoop, zodat ik in elk geval ‘iets’ heb, en dan komt het toch eigenlijk altijd op het laatste moment goed. Alhoewel ik me wel altijd afvraag: hoe zou het zijn geworden als ik er meer tijd aan had besteed? Ik geloof dat ik begin in te zien dat het voor de kwaliteit van het eindresultaat de hoeveelheid tijd niets uitmaakt. Dan zou ik alleen langer aan het uitstellen zijn geweest.

Ik ben blij te lezen dat alle dieren je door de quarantaineperiode hebben geholpen. Onze poes heeft mij een paar krassen op mijn arm bezorgd – grappig genoeg leek het sprekend op het logo van de metalband Fearfactory – alleen maar omdat ik met zorgzame aandacht wilde controleren of een plekje een teek was.

Ze ging een paar uur later bijna demonstratief bij Y. op schoot liggen, om haar vacht door hem te laten onderzoeken.  Wist ik ook weer even waar ik stond.

Gelukkig heeft Y. me nog niet aangevallen.

Liefs, M.

Aflevering 2: We maken er het beste van

Lieve Maria,

Je vroeg me in je vorige brief of de muren al op me afkwamen. Om antwoord te geven op deze vraag schets ik eerst de volgende gezinsanekdote. Een paar dagen geleden zei D. me opeens dat hij “een verrassing” voor me had. De eerste gedachte die door mijn hoofd schoot: hij gaat vreemd. Zoals je weet komt D. uit een traditioneel Oost-Gronings geslacht en elke vorm van spontaniteit of hartelijkheid is hem vreemd. Nog nooit, maar echt nog nooit in onze zesenhalf jaar durende relatie heeft hij me een bloemetje of kaartje of compliment gegeven. (Vooruit, dat laatste is een grapje, hij noemde me gisteren nog een “speciaal soort model”?!!) Waarom zou hij nu opeens “een verrassing” voor me hebben? Omdat hij iets had goed te maken, blijkbaar! Direct daarna werd deze gedachtegang onderbroken door een tweede. Wanneer in vredesnaam had hij de afgelopen coronamaanden de kans gehad om vreemd te gaan? We zitten vrij letterlijk 24 uur per dag op elkaars lip, daar had ik toch íéts van moeten merken. Ik hield me dus op het laatste moment in en probeerde zo ontspannen en enthousiast mogelijk te reageren. “Oké, leuk.”

 Ik zou er héél erg blij mee zijn, zei D. Ik moest thuis even wachten en dan zou hij het gaan ophalen bij een afhaalpunt. Inderdaad, na tien minuten wachten, waarin ik mijn fantasie de vrije loop had kunnen laten en de verrassing van een nieuwe stofzuiger via een Gardena-set was geëvolueerd naar ‘een weekendje geheel verzorgd all-inclusive in een vijfsterrenhotel weg in eigen land’, stond D. weer voor de deur. “Ogen dicht!”, riep hij vanuit de gang. (Goeie genade, hoeveel spanning kan een mens aan?!) Ik deed braaf mijn inmiddels trillende en bezwete handen voor mijn ogen tot D. het verlossende “tatatataaaa” uitriep. Het duurde een paar seconden voordat ik besefte waar ik naar keek. “Drie extra grote potten van je lievelings vegan mayonaise! Had ik online besteld voor je, die vond je toch zo lekker?”

 Nou goed, hij was dus inderdaad niet vreemdgegaan. En, belangrijker, ik had me door de “verrassing” van D. wel bijna twintig minuten enorm verheugd op iets dat stond te gebeuren in de nabije toekomst. En dat gevoel had ik al maanden niet meer ervaren. Het deed me beseffen dat we de alledaagse leuke momenten maar moeten uitvergroten en vieren tot het iedere dag thuiszitten met het eigen gezin net zo leuk wordt als een vrijgezellenfeest op xtc in Disney World. We eten vanaf nu dus iedere avond pizza met pannenkoeken (tip: lekker met vegan mayo!) en magnums toe, we vieren de verjaardag van kat Kikker tot half juni door (voor morgen heb ik een Oreo-slagroompuddingtaart gepland voor bij de koffie) en als ik woensdag een uitstapje heb naar de apotheek, ga ik van tevoren eerst uitgebreid m’n benen scheren en scrubben. Gewoon, om de muren der sleur en verveling van me af te houden.

Maria, ik weet dat de levenslust ook jou niet komt aanwaaien, maar wie weet kun je hier iets mee. Ik hoop het!

Liefs, Anna

Lieve Anna,

Wat ontzettend lief van D. dat hij je zo heeft verwend! Niet alleen de kans om je weer eens ergens op te verheugen, maar dan ook nog drie potten mayonaise! En natuurlijk, een all-inclusive uitje zou ook leuk geweest zijn, maar wat heb je er eigenlijk aan als je het niet met dikke lagen over je pizza’s en pannenkoeken kunt smeren?

Ook wij hebben deze week getracht het alledaagse uit te vergroten en te vieren. Alhoewel, zo alledaags was het ook weer niet: we hebben namelijk sinds deze week een houten bankje achter ons huis. Gemaakt door een podiumbouwer, die met een ‘lockdown-lijn’ van tuinmeubilair toch wat geld probeert te verdienen nu door het afgelaste festivalseizoen zijn hele jaarinkomen wegviel.

 Op vrijdagmiddag hebben we – in besloten kring, d.w.z. alleen Y. en ik – een benchwarming party gehouden. Er waren warme hapjes en koud witbier met citroen en we zaten heerlijk in de zon. Al vrij snel kwam er nog een ongenode gast langs: de man met de hamer. Na een in alcohol gedrenkte start van de quarantaine had ik de afgelopen weken toch maar besloten de fles te laten staan. Ik ben dus niets meer gewend en de combinatie met die nietsontziende global-warming-zonnehitte maakte dat ik de festiviteiten horizontaal moest voortzetten op de bank in de huiskamer.

Ik moest even denken aan de cassettebandjes met een hoorspel van Paulus de Boskabouter die we vroeger thuis hadden. In een van de afleveringen probeert zijn nemesis, de heks Eucalypta, hem gek te maken, maar daar trapt hij niet in. In plaats daarvan gaat hij op zijn houten bankje voor zijn boom zitten en zegt hij heel kordaat hardop tegen zichzelf: ‘Vooruit Paulus, mijmeren!’

En zo zit ik nu dus ook op mijn bankje. Ik zit en ik probeer te mijmeren en niet te denken aan alle ellende waar we door worden omringd. Ik lees een boek, drink een kopje thee, eet een beschuitje met aardbeien. Het is eigenlijk net kamperen. Alleen drink ik thee uit geërfd Wedgwood-servies in plaats van plakkerige plastic bekers en deel ik mijn wc niet met honderd zweterige mannen, vrouwen en kinderen die naar gelang hun leeftijd meer of minder moeite hebben met het onder controle houden van hun sluitspier. Dus misschien is het nog wel beter dan kamperen. Behalve dat ik wel gewoon moet werken, naar de supermarkt gaan nog steeds De Hel is, en de uitgedroogde bermen en galerijflats van Osdorp ook niet echt vergelijkbaar zijn met de Franse Vogezen.

Maar als ik ’s ochtends heel vroeg op het bankje zit, mijn ogen dichtdoe en de vogels hoor fluiten, kom ik toch wel bijna een heel klein beetje in de buurt van een sóórt van vakantiegevoel. Het zijn toch de kleine dingen die het doen. Juist nu. We doen het samen. (Sorry, ik stond even in directe verbinding met minister Hugo de Jonge.)

Lukt het jou ook om af en toe rustig op jullie bankje te zitten? Hoe vinden de dieren het eigenlijk dat jullie zo veel thuis zijn?

Liefs, Maria

Aflevering 1: Paniek

Lieve Maria,

Laat ik beginnen met een bekentenis. De afgelopen coronaweken hebben me doen inzien dat ik niet de persoon ben die ik al 35 jaar denk te zijn. Of, beter gezegd, dat ik eigenschappen heb die zich niet eerder geopenbaard hebben. Als we straks, in dat afschuwelijke ‘nieuwe normaal’, beiden met een integraalhelm op en gewikkeld in een knuffelgordijn eindelijk weer eens samen kunnen gaan koffiedrinken, zul je het ongetwijfeld aan me merken: de relaxte komt-wel-goed-Anna is niet meer. Ik blijk een paniekvogel. Een zenuwlijer. Je zou me niet herkennen als je me tussen de schappen in de supermarkt ziet schieten: onzeker, schrikachtig. Continu op m’n hoede voor een misstap van mezelf of een ander. Zou de mevrouw bij de ketjap vinden dat ik te dicht in de buurt kom als ik de kroepoek even héél snel in m’n karretje gooi? Moet die vent nu serieus alle bananen even in z’n hand nemen voordat hij een tros pakt en doorloopt? Moet ik hoesten? (Oh God nee, ik hoef toch niet te hoesten?!) En worden de handvatten van de karretjes eigenlijk nog wel door het supermarktpersoneel ontsmet, of had ik dat zelf moeten doen en ben ik nu in feite de virusdeeltjes van mijn voorganger in mijn eigen handen aan het masseren? Het zweet prikt onder m’n oksels, m’n handen trillen en ik ben blij als ik weer buitensta.

 Nog zoiets. De vierjarige doet mij en D. in alles na. Hij scheldt als een oude zeerover (volledig mijn schuld, I know) en hij niest sinds kort met net zo veel geweld als D. Het geluid laat zich lastig omschrijven, maar denk aan een roedel leeuwen die aan de ene kant van de steppe een andere roedel waarschuwt voor naderend gevaar. Het is een oerbrul waar de overburen rechtop van in bed zitten. Vooruit, het brulletje van de vierjarige is iets bescheidener, maar in mijn paniekfantasie hangt de juf al aan de telefoon. Of we deze virusverspreider even héél snel willen komen ophalen? Vanochtend, voordat hij naar school ging, ben ik even met hem gaan zitten. “Als je op school nou een keer moet niezen, doe je dat dan héél zachtjes? Dat niemand het hoort en zeker de juf niet? Je bent al twee maanden niet naar school geweest en we zouden het heel jammer vinden als je opleiding nu weer vertraging oploopt.” De vierjarige knikte. “Ik nies vanaf nu gewoon als een muisje.” Ik zwaaide hem uit, maar was er niet gerust op. En dan heb ik het niet eens over de vraag of die kindjes het virus nou wel of niet snel kunnen oplopen en doorgeven.

 Maria, ik ben nérgens meer gerust op. Misschien heb jij troostende woorden, aloë vera voor onder m’n prikoksels of gewoon iets met heel veel calorieën? Hoe houd jij het uit?

Liefs, Anna


Lieve Anna,

Hoe graag had ik je wijze woorden willen sturen, of tips. Maar ik kan je alleen een schrale troost bieden: je bent niet de enige. Het is onder deze omstandigheden onmogelijk om buitenshuis welke activiteit dan ook op een normale manier uit te voeren – ook voor een nanoneuroot als ik. De strijd om jezelf en/of je spullen enigszins vrij van coronadeeltjes van buiten naar binnen te krijgen is gewoonweg niet te winnen.

Ook voor mij is ieder supermarktbezoek De Hel. Vanzelfsprekend ontsmet ik altijd grondig het handvat van het winkelkarretje, maar er volgt onvermijdelijk een onbewaakt ogenblik waarin je per ongeluk het karretje even vastpakt aan een met corona geïnfecteerde zijstang. Natuurlijk precies weer met je rechterhand, die je dus niet meer kan gebruiken. Ik weet niet of jij wel eens geprobeerd hebt om met links al je boodschappen bij de zelfscankassa af te rekenen? Ik kan je vertellen: dat is moeilijk. Zeker als je al die boodschappen ook met diezelfde linkerhand in een linnen tasje moet zien te wurmen en de vuistregel ‘zwaar onderop, licht bovenop’ in acht wil nemen. Ik was er zo lang mee bezig dat de kassa op een gegeven moment dacht dat ik er niet meer was en al mijn gescande boodschappen annuleerde. Kon ik dus weer opnieuw beginnen. En hoe mensen dan naar je staren! Ik heb ook weleens met zo’n blik naar iemand gekeken; als er buiten op straat een ongewassen kerel met een bruin blik Schultenbräu tegen een lantaarnpaal stond te praten.

Denk niet dat ik jouw problemen bagatelliseer, maar een paniekzaaier en een zenuwlijer was ik altijd al; ik ben nu ook nog langzaam aan het veranderen in de dorpsgek.

Overigens gaat de ellende thuis gewoon door. Ik durfde de boodschappen niet zomaar in de kast te zetten, dus heb ik eerst de hele zooi afgenomen een Dettol-doekje. (Een van de weinige momenten dat je dankbaar bent dat tegenwoordig bijna alles in plastic wordt verpakt.) En net toen ik dacht alles onder controle te hebben, kwam het breekpunt: sta ik nu echt de draadjes van een netje gele uien af te vegen?! Ik kon mezelf er nog net van weerhouden om het hele netje in de vuilnisbak te gooien. Misschien moet ik me schikken in mijn lot; als Onze-Lieve-Heer heeft besloten dat hij mij bij zich wil roepen in deze coronatijd, dan geef ik me over. Ik hoop dat ik zo min mogelijk mensen mee zal sleuren, maar ik zal dankbaar zijn voor al het gedoe en lijden dat mij dan verder bespaard zal blijven.

Wat spook jij nu de hele dag uit? Komen de muren al op je af in je Vinex-wijk?

Liefs, Maria